Home  |  Inloggen/uitloggen  |  Contact  |  

Zondag 21 december, Amsterdam - Hofkerk, Linnaeushof 94, Amsterdam

aanvang: 16.30

 

J.S. Bach - Weihnachts Oratorium

 

ABG onder leiding van Alexander Vakoulsky

koor ingestudeerd door Jeroen Spitteler

 

solisten

soproaan:  Hilde van Ruymbeke

alt:               Barbara Kozelj

tenor:          Otto Bouwknecht

bas:             Henk Neven

Programmatoelichting

Johann Sebastian Bach (1685-1750) Weihnachts-Oratorium, BWV 248, kantates 1 en 2

Eerste uitvoering op resp. 25 en 26 december 1734. 

Wie de jubelende trompetten, trillende houtblazers en virtuoze violen in het openingskoor van Bachs Weihnachts-Oratorium hoort, begrijpt dat het wel een zeer vreugdevolle boodschap moet zijn die bezongen gaat worden. Als het koor dan unisono Jauchzet, Frohlocket inzet, rest de luisteraar niets anders dan de dag maar te prijzen vanwege het goede nieuws dat gebracht wordt: Lasset das Zagen, Verbannet die Klage! We zouden bijna vergeten dat al dit gejubel in de party-toonsoort D-groot door Bach eigenlijk geschreven is ter ere van een Poolse prinses in één van zijn wereldlijke cantates…

Na zijn jaren aan het prinselijk hof in Cöthen kreeg Bach in 1723 een baan als cantor van de Thomaskirche in Leipzig. Bach genoot vooral een reputatie als orgelvirtuoos en hoorde zeker niet bij de allerberoemdste componisten van zijn tijd. Bach was dan ook derde keus voor het Leipziger gemeentebestuur, die liever wat moderners wilden voor deze toch wel respectabele positie in het Lutherse 18e-eeuwse Duitsland. Telemann in Hamburg en Graupner in Darmstadt bedankten echter voor de functie.

De eerste jaren in Leipzig was het hard werken: elke zon- en feestdag moest namelijk van passende muziek worden voorzien. In 1729 veranderde dat enigszins. Bach toen sinds 1723 had inmiddels een aardig repertoire aan muziek opgebouwd: 4 complete cycli van 60 cantates voor het hele kerkelijke jaar. Er waren namelijk klachten over zijn pedagogische prestaties, en hij kreeg de beschikking over het leerlingenorkest Collegium Musicum dat door zijn voorganger Telemann was opgericht. Bach hernam met dit gezelschap meestal eerdere werken in de Zimmermanschen Kaffeehause, maar hij kon dit gezelschap ook prima inzetten bij zijn nieuwe, wereldlijke composities. In de jaren 1733-34, nadat Augustus III op de troon kwam van het huis Saksen, kreeg hij volop de gelegenheid om zijn titel als Hofkapellmeister eer aan te doen.

Dat de kerkelijke muziek en het wereldse vertier voor de vorst elkaar niet in de weg zaten, blijkt maar al te goed uit de regelmaat waarmee Bach muziek uit de verschillende genres mixte en recyclede. Dit hergebruik van muziek met een nieuw libretto werd parodie genoemd en was destijds een zeer gangbaar verschijnsel. Bach maakte er veel gebruik van, waardoor hij de kans had om eerder geschreven muziek te perfectioneren in een nieuwe compositie. Zo kan het dat vrijwel de complete wereldlijke cantates Laßt uns sorgen, laßt uns wachen (Herculescantate BWV 213; voor de verjaardag van de kroonprins in 1733) en Tönet ihr Pauken, erschallet, Trompeten (BWV 214; voor de verjaarspartij van de Poolse kroonprinses in hetzelfde jaar) werden omgeschreven voor het Kerstoratorium. Uit de titel van de laatste (pauken en trompetten) begrijpt u dat het eerdergenoemde openingskoor hieruit afkomstig is.

Misschien vond Bach het zonde om deze goed gelukte gelegenheidscomposities in een vorstelijke lade te laten verdwijnen, en heeft ze daarom maar in de jaarlijkse kerkelijke cyclus heeft opgenomen… In elk geval is de manier waarop “oud” en “nieuw” in elkaar zijn gepast subliem. Zo is het Schlafe, mein Liebster, und plege der Ruh waarmee de jonge Hercules wordt bekoord, naadloos ingepast als Schlafe, mein Liebster, genieße der Ruh waarmee het kindeke in de tweede cantate in slaap wordt gesust… In het manuscript van het Weihnachts-Oratorium is ook goed te zien welke passages hergebruikt zijn (netjes overgeschreven) en welke delen nieuw zijn (met veel schetsen en verbeteringen). Voor het engelenkoor Ehre sei Gott uit de tweede cantate is te zien dat het aanvankelijke plan was de tekst op een koraal uit de Herculescantate te doen passen. Dat lukte kennelijk niet, waarop Bach toch maar nieuwe noten schreef…

Bachs Weihnachts-Oratorium is populairder geworden dan zijn andere cantates bedoeld voor de kersttijd. Dit komt wellicht omdat het kerstverhaal zelf de leidraad vormt binnen de 6 cantates. Bach week hier en daar ook af van de kerkelijke indeling om de continuïteit van het verhaal te bewaren. In 1734 was er namelijk geen zondag tussen Kerst en Oud&Nieuw, maar wel tussen 1 en 6 januari. Net als in de Matthëus- en Johannespassies leidt de evangelist de luisteraar door het evangelie, in dit geval dat van Lucas (verzen 2,1 en 2,3-21) en Matthëus (2,1-12). Wie de teksten van de overige delen heeft geschreven is onbekend. Het zou goed Bachs vaste kompaan Christian Friedrich Henrici kunnen zijn, beter bekend als Picander. Zijn naam wordt echter niet genoemd in de handschriften.

De eerste cantate vertelt de gang van Jozef en Maria naar Bethlehem en de geboorte in de herberg. In deze cantate zijn vooral de pauken en de trompetten opvallend. De trompet, nu doodnormaal in een boerenkapel, was toen nog voorbehouden aan vorstelijke muziek. De majestueuze solo in Großer Herr, o starker König onderstreept zo de koninklijke toekomst van hem waarvoor in de herberg niet eens plaats was. Geen verassing om te weten dat de melodie, inclusief trompet, oorspronkelijk gecomponeerd was ter ere van de Poolse koningin: Kron und Preis gekrönert Damen (in BWV 214).

In de tweede cantate, spelen de herdertjes bij nachte een hoofdrol. Het eerste deel, Hirtenmusik, is een pastorale in 12/8 maatsoort. De orkestkleur wordt in deze cantate vooral bepaald door de herdersinstrumenten fluit, oboe d’amore en oboe da caccia.

Elk van de zes cantates was dus bedoeld voor een andere dag binnen de kerkelijke hoogtijdagen rond Kerst. Het is nooit de bedoeling geweest de zes cantates achter elkaar uit te voeren. De orkestbezetting wisselt dan ook tussen de verschillende cantates. De eerste twee cantates, bedoeld voor de beide kerstdagen, klonken ook in 1734 in elk geval vrij kort achter elkaar. Hoewel 4 dagen te vroeg, is de keuze om op 21 december de eerste twee cantates uit te voeren dus nog niet zo gek…

 

Joost Vermeulen

<< terug